1. ALSNOG EEN VADER?

Samen met Karel zak ik onderuit op de bank, lekker in een stil hoekje van de grote zaal. Her en daar staan en zitten anderen alleen of in groepjes uit te blazen van een lange dag in het conferentieoord. Het is half elf ’s avonds, tijd voor een afzakkertje. Karel ken ik niet zo goed. Alleen van zo nu en dan een workshop. Hij is een beetje een kluizenaar en een zonderling, maar we mogen elkaar wel. Ik bewaar altijd wat fysieke afstand. Het laagje roos op zijn kraag, de pukkels in zijn gezicht, kleren die steeds wat ongewassen aandoen..Zijn gedachtengang vind ik soms origineel en ik heb gemerkt dat hij heel betrokken over mensen kan praten. Dat trekt me in hem aan.

‘Heb jij de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt?’,

informeert hij met een zijdelingse blik op mij. We hebben die avond een film bekeken over tweede generatie oorlogsslachtoffers.

‘Ja net,’ antwoord ik.

’Ik ben kort na het bombardement van Rotterdam verwekt. Mijn moeder was toen al behoorlijk depressief. Het huwelijk van mijn ouders liep in neergaande lijn. Ik heb herinneringen aan kou, honger en ik was vaak angstig. Er waren een aantal maanden bombardementen op de haven van Rotterdam-Noord, vlak bij ons. Dan bibberde ik en maakten mijn ouders daar grapjes over. Ik werd dan uitgekleed voor het slapen gaan. Tot mijn vijftiende dook ik een portiek in wanneer er een vliegtuig overkwam. Gelukkig waren er toen nog niet zoveel vliegtuigen,’ lach ik.
Karel lacht niet mee. Hij kijkt mij nadenkend aan.

‘Dat waren dus de eerste jaren van je leven,’ concludeert hij ernstig.

We zijn even stil.

‘Het heeft me wel bepaald,’ geef ik toe.

‘Het kernthema in mijn leven is: Waarom doet de ene mens dit de andere aan en kan het ook anders? In het klein en in het groot’.

‘En jij?’ vraag ik hem.

Ik kijk naar hem en schat zijn leeftijd. Ongeveer even oud.

‘Ik heb in een Jappenkamp gezeten,’ reageert hij tamelijk kortaf.

‘Ach,’ zucht ik.

‘Je zat bij je moeder in het kamp?’ Hij knikt.
‘Heeft zij het overleefd?’

‘Ja, mijn vader ook. Die is kort na de oorlog vrijgekomen en naar ons toegebracht.’

’Dat is bijzonder!’

reageer ik, blij dat er ook goed nieuws bij zijn verhaal hoort. Karel kijkt mij gepijnigd aan.

‘Misschien was het beter wanneer hij nooit was teruggekomen.’

‘O,’ mijn stem klinkt wat geknepen. Wil ik dit nu nog wel aanhoren?, gaat er door me heen. Het is laat en het was een intensieve lange dag.
Karel verschuift zijn stoel. We zitten nu meer tegenover elkaar. Afgezonderd van de rest.

‘Het drukt op me. Ik voel me zo schuldig. Ik was zes jaar. De oorlog was voorbij. We hoorden dat mijn vader nog leefde en op weg was naar ons kamp. Ik vond het heel spannend. Een vader! Ik wist wel niet wat dat was, behalve uit verhalen, maar het moest wel iets heel bijzonders zijn. Wij kleine kinderen kenden geen mannen. Alleen de Jappen, maar door de enorme verschillen in uiterlijk, gedrag en taal en doordat ze vijanden waren, zagen we ze meer als buitenaardse monsters. Niet als mannen, of vaders. Iedereen was meteen in rep en roer bij het bericht. Wanneer er één man terugkwam, kregen ook andere moeders en kinderen hoop. Opeens bemoeiden een heleboel vrouwen zich met me. Kijk die jongen nou toch eens, sputterden ze tegen elkaar. Al die vlooien! Zijn kleren zijn vodden. En zijn haar is te lang en zit vol luizen. Zo kan je je vader niet onder ogen komen, jongetje. Daar gaan we wat aan doen. Ik kreeg wat betere vodden, mijn lijf werd gewassen, mijn haar gespoeld en geknipt. En steeds maar die vrouwen om me heen met hun commentaar. Nu kun je tenminste je vader onder ogen komen. Wat zou je vader wel niet denken als hij je zo vies had gezien. Weet je, ik kreeg het idee dat mijn vader niets met mij te maken had willen hebben als hij mij zo vuil in het kamp had zien rondlopen. Dat maakte mij enorm boos. Was ik niet goed genoeg zoals ik was? Alleen maar de moeite waard als er aan mij gepoetst en geboend werd? Zo’n vader wilde ik niet.’

‘Och Karel,’ leef ik met het kleine jongetje mee.
Hij strijkt met zijn hand door zijn doffe blonde haar. Een wolkje roos dwarrelt naar beneden.

‘Die ontmoeting liep dus in de soep,’ vervolgt hij vlak.
‘Mijn vader breidde zijn armen uit toen hij nog maar op een paar meter afstand stond. Niet dat hij mij had kunnen herkennen. Maar het was duidelijk dat ik zijn zoon moest zijn. Iedereen stond in een haag om mijn moeder en mij heen.
Ik bleef stokstijf staan. Toen liep hij naar me toe en sloeg zijn armen om me heen. Ik verharde. Ik weigerde hem aan te kijken. Zodra ik kon, wurmde ik me los en verdween. In het begin dachten mijn ouders dat ik gewoon wat tijd nodig had. Later dat het allemaal wel goed zou komen, wanneer we in Nederland een nieuw leventje op gingen bouwen. Maar het kwam niet goed. Het zat er bij mij ingebakken, vanaf dat eerste moment. Deze vader moet ik niet. Ik zag zijn verdriet niet, zijn hulpeloosheid. Wel zijn woede, die voortkwam uit machteloosheid en die mij lekker opfokte. Want een boze vader, daar zat ik zéker niet op te wachten. Gesprekken kapte ik af.

Het is dus nooit meer goed gekomen. Mijn vader is tien jaar geleden overleden. Ik was nog altijd boos en het deed me niets.’

Ik verstijf. Karel praat door.

‘Pas een paar jaar later, op zijn sterfdag veranderde dat. Ik weet niet waarom. Opeens kwamen er beelden voor mijn geest van momenten waarop hij vol verdriet naar me keek. Zich afwendde en bij het raam ging staan om me niet te laten zien hoeveel pijn ik hem deed. En toen kwamen de tranen los. En de herinneringen aan dat eerste moment . Ik had hem onrecht aangedaan. Ik heb hem nooit een kans gegeven.’
Tranen staan in Karel’s ogen. Ik wil mijn arm om zijn schouders slaan, maar zie de roos, wijk af naar zijn knie en druk er even op.
“Wat een treurig verhaal, Karel. Zoveel misverstanden en er valt niemand iets te verwijten.’

‘Niemand?’ vraagt hij cynisch.

‘Nou nee, niemand,’ zeg ik.

‘ Kom nou Karel. Dat werd in de film vanavond toch ook benadrukt? Jij wist niets van trauma’s en hoe ze doorwerken. En in onze jeugd werden ze ontkend. Doorleven, opbouwen, niet zeuren. Jij had hulp nodig en in die tijd was er nog geen hulp en aandacht voor dit soort problemen. Niet voor je ouders en niet voor jou. Dit lijkt me een afschuwelijke samenloop van omstandigheden. Daar zijn jullie allemaal de dupe van geworden.’

‘Nou ja,’ aarzelt Karel met tegenzin.

‘Weet je,’ ga ik peinzend door.

‘Ik vraag me af of al die woede wel alleen van jou was. De vrouwen en mannen van die generatie zijn allemaal opgevoed met het idee dat mannen de vrouwen en kinderen moeten beschermen, verzorgen en koesteren. De mannen hebben die belofte niet waar kunnen maken. Ze zijn afgevoerd, gedood of opgesloten. De vrouwen en de kinderen zijn in de steek gelaten. In de eerste plaats door Nederland. Maar ook door hun mannen en vaders. Niet uit vrije wil, maar het resultaat is hetzelfde.’

Karel knikt. Even is het stil.

Dan gaat hij er op door:

‘‘En jaren later komen de eerste mannen terug. Zijn dat prinsen te paard, die bijzondere vaders en mannen, die de vrouwen alsnog komen redden? Nee, het zijn uitgemergelde, verzwakte kerels. Ze hebben een moeder nodig en een sanatorium.’

Ik grinnik en neem het weer over.

‘Denk je niet dat bij die aanblik de sluimerende gevoelens van in de steek gelaten zijn, frustratie en boosheid aangeraakt worden? Naast alle positieve en mooie emoties.

Dan zijn er nog de vrouwen die al weten dat er geen man of een vader terugkomt of dat vermoeden. Wanneer zij de blijdschap van de vrouwen zien die hun man omhelzen, zou er ook wel wat pijn en kwaadheid de kop op kunnen steken.’

‘Er gaat een luikje in mijn hoofd open,’ reageert Karel langzaam.

‘Ik zie opeens hoe de ene vrouw mijn rechtervoet aan het boenen is en een ander de linker en hoe ze zachtjes en bitter tegen elkaar zeggen: zij wel, wij niet.’

‘Reken maar dat het gegist heeft in het kamp die dag’, stel ik me hardop voor. Als kind voel je trouwens haarfijn de emoties van anderen aan.
En zo’n onbekend iemand, een vader, die zo bijzonder zou zijn? Wat vond je nou echt, Karel, van die man, die eerste dag?’

‘Ik voelde meteen dat het iemand was die ook een soort kamp had meegemaakt. Hij zag er moe en slecht uit. Daarover was ik teleurgesteld en boos.’

Karel knijpt in zijn nek.
Opeens veert hij op.

‘Maar zo gemakkelijk laat ik me mijn schuldgevoel niet afnemen, hoor. Dat heb ik nu al jaren meegezeuld!’

We lachen en de sfeer tussen ons wordt luchtiger. Ik hoor zachte muziek, tinkelende glaasjes, gepraat om ons heen.

‘Ik ga nog een glaasje wijn voor ons halen en dan taai ik af’, kondig ik aan. Maar of ik kan slapen, na jouw verhaal?’

Recent Posts
Showing 4 comments
  • Jelle
    Beantwoorden

    Wat een geweldig verhaal.

  • Geertje
    Beantwoorden

    Wat mooi, HanneClaire!

  • Jacques
    Beantwoorden

    21 december 2016
    HanneClaire, Ik heb nu twee verhalen van je gelezen en ben er helemaal stil van.
    Wat kunnen mensen toch meemaken en wat kunnen verschillende groepen van mensen, verschillend in geloof of cultuur elkaar toch veel aandoen. Je hebt me geboeid van de eerste tot laatste letter.

Leave a Comment