Zweepslagen te goed?

Dit waargebeurde verhaal dateert uit 2001 en blijkt nog actueel in de kern..

‘Ibrahim!’ roep ik verrast, wanneer ik in de Hema tegen hem opbots: mijn voormalige huishoudelijke hulp, afkomstig uit Irak. Hij moet nu tegen de veertig zijn. Wat een metamorfose heeft Ibrahim ondergaan: een vlot kapsel, modieuze bril, elegante kleren. Heel wat anders dan de spijkerbroek, vale trui, ouderwetse bril en lange haardos van – hoe lang geleden is het alweer…het is nu 2008…negen jaar? Ibrahim heeft een klein en compact postuur, warmbruine, wat tobberig kijkende ogen en levendige gebaren. ‘How are you?’ vraag ik, ‘have you got time for a cup of coffee?’ In goed Nederlands antwoordt hij: ‘ja graag’ en ‘nee, het gaat niet zo goed, ik heb grote zorgen.’

Ongeveer negen jaar geleden had ik via een kennis gehoord hoe Ibrahim – net uit een asielzoekerscentrum – uitgebuit werd in een Shoarmazaak. Dat maakte me erg kwaad. Het lukte me vijf adressen voor hem te regelen waar hij ingezet kon worden voor huishoudelijk werk, schilderwerk en klussen in de tuin. Hij kwam ook bij ons werken. Met boosaardig genoegen gaf Ibrahim zijn baas de bons. Ik kreeg een piepklein gouden Boeddhabeeldje van hem dat een mooi plekje heeft in mijn werkkamer.
Nog geen drie weken was hij bij ons in dienst als een uitstekende huishoudelijke hulp, toen hij opbelde en met doffe stem vertelde dat zijn vrouw was weggelopen met de kinderen en de paspoorten, dat de politie nu in huis rondliep en dat hij plat moest liggen vanwege een migraineaanval.
In die paar weken had hij wat meer uit over zijn achtergrond uitgeweid. Ibrahim en zijn vrouw kwamen uit dezelfde streek in Irak, vlakbij Turkije. Beiden gingen in Bagdad studeren, hij deed tandheelkunde, zijn toekomstige vrouw studeerde landbouwwetenschappen. In hun laatste studiejaar nam een groep studenten het voortouw om Saddam Hoessein uit te nodigen voor een discussie met een grote kring studenten. Tot hun verrassing ging de leider de uitdaging aan, luisterde goed en antwoordde naar hun beleving eerlijk op de vragen die ze stelden. Na afloop vierden de studenten feest en jubelden: er zouden veranderingen komen! Kort daarop werden ze allemaal opgepakt en enkele weken tot een aantal maanden in de gevangenis gegooid. Met moeite maakten de twee later hun studie af.
Ze verhuisden naar hun oude streek en trouwden. Mosul, hun woonplaats, lag in een no-fly zone. Toch werden ze regelmatig gebombardeerd door de Amerikanen. Ibrahim kreeg last van migraineaanvallen en hij en zijn familie leden steeds vaker aan nachtmerries, na de vele nachten die ze in greppels doorbrachten.
Ze vatten uiteindelijk het plan op om te vluchten en belandden na allerlei omzwervingen met hun twee kleine kinderen in Nederland. Zodra Saddam Hoessein niet meer aan de macht zou zijn en de situatie in Irak er redelijk stabiel en veilig uitzag, wilden ze terug. Het was helemaal niet hun bedoeling zich hier te wortelen.
‘Ibrahim,’ brand ik los, zodra onze cappuccino’s en broodjes voor ons staan, ‘ik ben zo benieuwd. Saddam Hoessein is inmiddels weg, de politieke situatie is niet stabiel, maar hoe kijk jij er tegenaan? En wat voor werk doe je nu? Je ziet er tenminste uit alsof je op een of ander kantoor werkt.’
‘Ik werk in een elektronicawinkel, daar aan de overkant,’ wijst Ibrahim, ‘ik ben er afdelingshoofd. Daar heb ik het erg naar mijn zin. Het is me niet gelukt geld te sparen voor een tandartsopleiding. Je weet dat mijn diploma’s hier niet worden erkend.’ Hij kijkt even weg. Ik proef van de cappuccino, die verrassend lekker is.
‘Mijn droom is uit elkaar gespat,’ vervolgt hij somber. ‘Ik zie niet hoe ik nog terug kan gaan. Mijn familie wordt vervolgd en is gevlucht. Dat geldt ook voor mijn schoonfamilie. Ze leven met zijn zeventienen in een tweekamerflatje in Syrië. De anderen zitten in een vluchtelingenkamp. Aan het eind van de maand stuur ik al het geld op dat er over is. De last van beide families,’ hij hapert, ‘weegt.’ ‘Daar word ik stil van. ‘Dat klinkt nogal uitzichtloos, Ibrahim.’ ‘Ja,’ beaamt hij en stoot tegen zijn kopje dat omvalt en op de grond rolt. De geur van de koffie vermengd met iets wat muf ruikt, verspreidt zich door de ruimte. Een serveerster komt toelopen en zij en Ibrahim slaan aan het redderen. Een schoonmaakmiddel vermengt zich met de koffiegeur. Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar de eerste tijd dat ik hem kende.
Een paar dagen nadat zijn vrouw en kinderen waren verdwenen, had Ibrahim ons laten weten dat zij opgespoord waren bij familie in Frankrijk. De politie had hen thuisgebracht. Hij zou ons alles wel vertellen wanneer hij weer bij ons kwam werken.
‘Ik heb zoveel voor haar gedaan’, briest Ibrahim, wanneer hij bij ons op de bank zijn verhaal doet. ‘Ik pak alles aan om ons gezin een goed bestaan te bieden. Steeds neem ik een klein cadeautje voor haar mee aan het eind van de week: lippenstift of chocolaatjes bijvoorbeeld. Ik doe de zware taken in het huishouden, want ze heeft last van haar rug. En dan laat ze me in de steek, ze laat me alleen in dit vreemde land! Ik heb zware hoofdpijnen gehad en niet kunnen eten. Ik was bang dat ze dood waren.’
Mijn man legt even zijn arm om Ibrahim heen.’ Wat erg voor je’, leeft hij mee.
Zo lijken ze wel vader en zoon, gaat er door me heen. De kleine Ibrahim die tegen mijn man aanleunt en mijn lange, slanke echtgenoot, die een heel stuk ouder is. Miryam was naar familie in Frankrijk gereisd. Vandaar uit wilde ze terug naar Irak. Ze bleek hevige heimwee te hebben naar haar land en familie. Haar zus zat inmiddels in de gevangenis. Ze wilde iets voor haar doen en daarvoor moest ze in de buurt zijn.
‘Dat weet ik wel dat ze terugwilde,’ legt Ibrahim uit. ’Ze heeft het er natuurlijk vaak over gehad. Maar het heeft geen zin daarover te praten. Ik heb net zo goed heimwee en pijn.’
‘Vrouwen zitten zo in elkaar, hè,’ zegt mijn man begripvol. ‘Ze willen zich uiten, ook al verandert dat niets. Dan kunnen ze er weer een tijdje tegen.’ Hij negeert mijn gekuch. Ibrahim is even stil. ‘Miryam wilde juist níét machteloos blijven toezien,’ weerlegt hij dan. ‘Ze besloot terug te gaan naar Irak, daar zou ze haar zus kunnen bijstaan, dacht ze. Dat had ik haar steeds uit haar hoofd gepraat. We zouden regelrecht de gevangenis ingaan.’ ‘Ja’, dat denk ik ook,’ bevestig ik en hoor hoe bitter mijn stem klinkt. ‘En toch ging ze tegen me in,’ laait Ibrahim’s woede weer op. ‘Hoe ze het in haar hoofd haalde, mij, het hoofd van het gezin, in de steek te laten en mijn kinderen van me af te pakken. De brutaliteit om hun paspoorten te stelen!
Miryams moeder had ook al opgebeld vanuit Irak. Ze had vierhonderd kilometer moeten reizen om bij een telefoon te komen.
“Je hebt beide families te schande gemaakt,´ huilde ze tegen haar dochter. “Als je hier was, zou ik je eigenhandig wurgen.’
Instinctief sla ik mijn armen om mijn buik en kijk op naar de foto van onze dochter, die aan de muur hangt. Daarop kijkt ze blij en vol vertrouwen de wereld in.
Ibrahim raast door. ‘Bij ons staat op zo’n vergrijp de doodstraf, maar in Nederland? Waarom sloot de politie haar niet op? Waarom krijgt ze geen zweepslagen? Waarom is jullie politie zo slap? Ik wil mijn recht en ik mag haar verstoten. Ze heeft mij onteerd en mijn familie erbij. De vrouw hoort de man te volgen en aan hem gehoorzaam te zijn. Dat staat duidelijk in de Bijbel. Want wij zijn Christenen, Armeense Christenen.’
Mijn man en ik wisselen een blik. Geen moslims, seinen onze ogen. Dat was een vooroordeel. En ze seinen nog iets anders. Met kromme tenen slaag ik erin mijn mond te houden en zak wat verder achterover in mijn stoel.
‘Ibrahim’, begint mijn man voorzichtig. ‘Jullie zijn hier samen in een vreemd land. Je hebt elkaar nodig, zo zonder familie en vrienden. Hier heersen andere gewoontes en daar heb je nu mee te maken. Kun je haar niet nog een kans geven? Neem geen overhaast besluit. Dat is ook in je eigen belang en dat van je kinderen.’ Ik ga de kamer uit en doe er lang over om meer koffie te zetten.
Tenslotte gaat Ibrahim in zichzelf mopperend aan het werk.
Miryam toont berouw. Zonder morren laat ze zich maanden opsluiten in huis.
Ze maakt de lekkerste maaltijden voor Ibrahim en doet alles wat hij vraagt.
Ibrahim vertelt ons dat hij haar nog één kans geeft. ‘Wat ik besluit wanneer we terug zijn in Irak, weet ik nog niet,’ voegt hij eraan toe. ‘Onze families zouden mijn gedrag niet begrijpen. Ze zouden mij slap vinden. Geen goed voorbeeld voor de kinderen. En dit is dan een christelijk land. Maar jullie normen zijn verwaterd. En mijn kinderen zijn er al door aangetast. Net als ik.’

‘Alstublieft’.
Ik schrik op uit mijn herinneringen. De serveerster brengt Ibrahim een verse cappuccino. ‘U bent zo’n goede klant en een ongelukje kan iedereen overkomen’, glimlacht ze. We genieten rustig van de koffie en ons broodje. ‘En je kinderen en Miryam?’ vraag ik na een tijdje. ’Hoe is het daarmee?’ Zijn gezicht klaart op. ‘Miryam werkt drie dagen in een tuincentrum. Ze wordt er gewaardeerd en vindt het er plezierig. De kinderen zijn opgebloeid. School vinden ze fijn, ze hebben vriendjes gekregen en de nachtmerries zijn voorbij. We zijn hier nu geworteld, dat had ik totaal niet verwacht.’ ‘Wat fijn voor jullie, Ibrahim’, zeg ik hartelijk. ‘Maar hoe komt het dat àl jullie familieleden zijn gevlucht?’, vraag ik peinzend. ‘Het zijn Christenen, weet je nog wel’, antwoordt hij, een beetje scherp. ‘Ze worden bij ons in Mosul vervolgd.’
O ja, dat had ik inderdaad gelezen, herinner ik me weer. Al die brandhaarden in de wereld ook. Het is teveel om alles te onthouden, maar dat durf ik niet hardop te zeggen.
Zou er door hun nieuwe omstandigheden nu wèl begrip ontstaan bij deze families voor de keuze die Ibrahim over zijn huwelijk heeft gemaakt? Ach, als dat al zo is, tegen welke prijs.

Hanne-Claire Fluri

Recent Posts

Leave a Comment