VROUWENLIEFDE

‘ Wat spoken jullie daarboven uit? Ja, we weten het wel hoor!’ De rechercheur van politie buldert tegen mij. Ik voel natte spatjes op mijn gezicht. Hij is rood aangelopen. Zijn magere vrouw stijfjes op hun zitbank knikt driftig. Haar gepermanente haar blijft bewegingloos. Ik begrijp niet waar hij het over heeft. Een keer per week ga ik, zestien jaar oud, langs bij een meisje van negentien, dat in onze woonplaats stage doet als bibliothecaresse in spé, een dochter van kennissen van mijn ouders. Ze kent hier niemand anders. Ze huurt een kamer bij deze rechercheur, een adres dat mijn vader voor haar heeft gevonden. We houden beiden veel van boeken, zijn dan ook nooit uitgepraat, maar zo nu en dan is het stil omdat één van ons een passage of hoofdstuk leest wat de ander heeft getroffen. De rechercheur dendert zijn woedewaterval over mij heen. Langzaam begin ik te begrijpen dat er zoiets als vrouwenliefde bestaat en dat onze stiltes voor hen in die zin ‘verdacht’ hebben geleken. Mijn ouders hadden weinig boeken en geen met seks. In de bieb zaten de boeken met seks achter slot en grendel. Zelfs volwassenen werden wat achterdochtig bekeken wanneer ze er een wilden lezen. Ik was zelf nieuwsgierig naar ‘De dokter en het lichte meisje’ van Simon Vestdijk, puur al vanwege de titel, maar zover ben ik toch niet gekomen. ‘En orgiën!’ schreeuwt de rechercheur. ‘Ja, ik weet heus wel dat dat christelijke groepje waar jij toe behoort, nachtelijke orgiën houdt in een of andere kelder!’ Orgiën, ja , daar had ik wel van gehoord op geschiedenisles, want dat deden de Romeinen al. Over vrouwenliefde werd niet gerept. Hoe konden wij nu van orgiën beschuldigd worden? We discussiëerden over actuele thema’s, na afloop praatten en lachten we nog een tijdje. We gingen tegen elven weg. Dat was alles. Waar had hij het in godsnaam over? En een kelder? Ik stamelde een paar keer een ontkenning. Het echtpaar schold me tenslotte de deur uit. Boven bleef het doodstil. Verdoofd fietste ik naar huis. Gelukkig kwam mijn vader net thuis van zijn schaakclub en kon ik mijn hart uitstorten. Trillend en door en door koud wachtte ik op een arm om mijn schouders. Nog nooit had ik die zo nodig gehad. Mijn vader trok wit weg. Hij verstrakte. ‘Morgen ga ik naar de commissaris van politie. Ik wil dat dit tot op de bodem wordt uitgezocht’. ‘Maar papa,’ zei ik geschokt. ‘Dat hoeft toch niet. Er is niets van waar!’ ‘Dat moet de commissaris dan maar bewijzen. Het gaat om jouw reputatie.’ Mijn vader draaide zich om en liep de trap op. Reputatie? Reputatie? Wat kon mij die nu schelen! Een maand later werd mijn vader uitgenodigd bij de commissaris. De rechercheur was op het matje geroepen, had een uitbrander gekregen. Een lichte straf, in mijn ogen. Hoe kon je zo iemand nog vertrouwen in zijn vak? Tevreden deelde mijn vader mij mee dat er niets uit het onderzoek was gekomen. Onverschillig haalde ik mijn schouders op. Nee, hè, hè, natuurlijk niet. Een half jaar voor zijn dood vertelde ik hem dat zijn houding van destijds mij nog steeds dwarszat. Hij tilde zijn armen een beetje op, alsof hij mij alsnog wilde omarmen. Hulpeloos liet hij ze weer vallen. Zachtjes zei hij: ‘Ik dacht dat ik er goed aan deed. Als vader wilde ik je reputatie beschermen. Als een rechercheur gaat rondbazuinen dat je aan orgiën meedoet..’ En zijn reputatie ook, als redelijk bekend ambtenaar, begreep ik opeens. Ik klom uit mijn hokje van zestienjarige puber en het drong het tot mij door dat dat wel degelijk een goede actie was geweest. Misschien, als ik eerst een arm om mij heen had gevoeld, dat ik het dan beter begrepen zou hebben?

Recent Posts

Leave a Comment